Categoriearchief: hartfalen

Co-enzym Q10 halveert sterfte bij hartfalen

Een hoge dosering van de voedingsstof co-enzym Q10 kan bij ernstig hartfalen de kwaliteit van leven verbeteren en het leven aanmerkelijk verlengen, zo blijkt uit de resultaten van een groot Deens onderzoek dat enkele dagen geleden is gepresenteerd op een wetenschappelijk congres in Lissabon.

Al tientallen jaren verschijnen sporadisch kleine onderzoeken die  verbeteringen laten zien bij patiënten met hartfalen door extra Q10. Dit onderzoek was echter dermate groot en professioneel opgezet en de resultaten zijn zo duidelijk dat gehoopt wordt dat co-enzym Q10 tot de standaardmedicatie gaat behoren bij hartfalen.

Aan het onderzoek deden 420 patiënten met ernstig hartfalen (New York Heart Association klasse 3 en 4) mee uit negen landen. Lees verder Co-enzym Q10 halveert sterfte bij hartfalen

Carnitine vermindert sterfte, hartritmestoornissen

L-carnitine wordt voor een natuurlijke voedingsstof opvallend vaak toegepast bij hartkwalen. In de afgelopen jaren zijn er veel – vaak relatief kleine- wetenschappelijke onderzoeken verschenen die gunstige resultaten lieten zien. Wetenschappers van de gerenommeerde Mayo Clinic voerde een meta-analyse uit van alle gedegen onderzoeken waarbij carnitine was getest als secundair preventiemiddel bij cardiovasculaire aandoeningen. Hiermee wordt bedoeld dat de proefpersonen al eerder ernstige klachten zoals een hartaanval of beroerte hadden gehad en waarbij gekeken werd of extra l-carnitine  hartpatiënten bescherming biedt.

Dertien onderzoeken met in totaal 3629 patiënten werden opgenomen in de meta-analyse. De meest gebruikte dosering was 2 gram per dag. De duur varieerde van enkele maanden tot een jaar. In elf van deze onderzoeken werd de totale sterfte beoordeeld. Deze was – statistisch significant – 27% lager (odds ratio) bij de personen die de carnitine gekregen hadden dan in de placebogroepen.  Ook het optreden van angina pectoris – pijn op de borst- en de gevaarlijke hartritmestoornis ventrikelfibrilleren werd door de carnitine verminderd. Lees verder Carnitine vermindert sterfte, hartritmestoornissen

Vitamine D, sterfte en hart- en vaatziekten

Uit onderzoek, waarover we op deze site melding maakten, werd al een sterk verband aangetoond tussen een laag vitamine D gehalte en een groter risico op cardiovasculaire aandoeningen. Recent is er een nieuwe studie gepubliceerd over onderzoek dat niet alleen een mogelijk verband zocht tussen hart- en vaatziektes en vitamine D maar ook keek naar het supplementgebruik en de sterfte in het algemeen. Vanwege het eerdere onderzoek hadden de onderzoekers verwacht minder cardiovasculaire aandoeningen en een geringere sterfte te vinden bij mensen met hoge vitamine D gehaltes. De gevonden relatie was echter verrassend sterker dan men had verwacht. Lees verder Vitamine D, sterfte en hart- en vaatziekten

Vitamines en andere voedingsstoffen bij chronisch hartfalen

Bij hartfalen pompt de linker hartkamer bij elke hartslag minder dan 40% van het aanwezige bloed het lichaam in terwijl dit bij een gezond hart 50% is .Dit percentage wordt de linkerventrikelejectiefractie (LVEF) genoemd. Dertig oudere mensen met chronisch hartfalen deden mee aan een dubbelblind onderzoek waarbij nu eens niet één vitamine maar een combinatie van voedingsstoffen gegeven werd. De dagdosering was 250 mg calcium, 150 mg magnesium, 15 mg zink, 1,2 mg koper, 50mcg selenium, 800 mcg vitamine A, 200mg vitamine B1, 2mg vitamine B2, 200 mg vitamine B6, 5mg foliumzuur, 200mcg vitamine B12, 500mg vitamine C, 400mg vitamine E, 10mcg vitamine D (400 IE) en 150 mg co-enzym Q10. Voor en na het negen maanden durende onderzoek werden allerlei tests en metingen gedaan. Bij degenen die de vitamines en andere voedingsstoffen gekregen hadden was de pompwerking van het hart na negen maanden verbeterd. Zo steeg, in de vitaminegroep, de LVEF van gemiddeld 25,6% naar 30,9% terwijl deze in de placebogroep daalde van 26,6% naar 26,2% . Symptomen als vermoeidheid en kortademigheid verbeterden ook in de vitaminegroep. Deze verbeteringen waren pas meetbaar na 4 maanden maar ook weer niet van dien aard dat men aanmerkelijk sneller kon lopen. (European Heart Journal, 2005)