rood met witte stippen, zat kabouter Spillebeen heen en weer te wippen. Krak, zei toen de paddenstoel, met een diepe zucht, allebei de beentjes hoepla in de lucht!”
Ik weet niet hoe u de tekst van dit kinderliedje ervaart, maar ik vind het poëzie met een twijfelachtige inhoud.
Spillebeen, kennelijk een kabouter met weinig onderhuids vet op de benen, blijkt paddenstoelen aan te zien voor kinderwipjes. Dom. Zo ga je niet met paddenstoelen om !
China
Van een beetje dwerg, die volgens kabouterspecialist Rien Poortvliet respectabele hoge leeftijden kunnen bereiken, mag je minstens meer hersens verwachten. Wat mij ook opvalt in zijn Groot Kabouterboek, is het ontstellend gebrek aan kennis, althans bij Nederlandse kabouters, over de geneeskrachtige werking van paddenstoelen. In elk geval rept Poortvliet er met geen woord over. En dat valt mij bitter tegen !
Of er in China zeer oude kabouters bestaan weet ik niet. Ik ben er nooit geweest. Wat ik wel weet is dat er zeer oude Chinezen bestaan die hun vitaliteit en gezondheid mede te danken hebben aan het gebruik van een bijzondere medicinale paddenstoel, de Cordyceps sinensis.
Al meer dan 2000 jaar wordt Cordyceps in het Aziatische werelddeel aangewend bij een groot aantal ziekten. Hij komt oorspronkelijk voor in het hooggebergte van China en Tibet. Omdat hij met uitsterven wordt bedreigd zijn er tegenwoordig commerciële bedrijven die de paddenstoel op rijstbodems kweken.
Muizenissen
Cordyceps staat bekend om zijn versterkende werking. Het stimuleert het afweersysteem in de strijd tegen infecties en allerlei ontstekingsziekten. In The International Journal of Medicinal Mushrooms [2008;10(3):219-234] schreef wetenschapper L.Holliday dat ouderen veel baat hebben bij het gebruik van Cordyceps. Vermoeidheid, duizeligheid, oorsuizen en geheugenproblemen namen duidelijk af.
Uithoudingsvermogen en zuurstofcapaciteit tijdens inspanning [fietsen op een hometrainer] namen aanzienlijk toe. Dr. J. Koh en zijn medewerkers bewezen door een proef met twee groepen muizen die ieder in een bak met water werden geplaatst- en daardoor gedwongen werden te zwemmen- dat Cordyceps uitputting en stress tegen gaat. Bij de muizen die geen Cordyceps kregen werd een vergroting van de bijnieren waargenomen [adrenalineproductie door stress !] en verkleining van lever, milt, thymus en schildklier. Die typische stressverschijnselen traden niet op bij de Cordycepsmuizen. Hoewel het waterbad veel van hun krachten had geëist, waren ze veel sneller van hun zwemavontuur hersteld dan hun broeders die het zonder Cordyceps moesten stellen.[Biological & Pharmaceutical Bulletin [2003;26(5):691-4] Nagekomen bericht: geen enkele muis is verdronken. Dit even ter geruststelling.
Niet-alcoholische steatohepatitis (NASH) wordt gekenmerkt door lichte chronische leverontsteking samen met leververvetting. Het is een aandoening die sterk geassocieerd is met insulineresistentie en wordt ook wel de levercomponent van het metabool syndroom genoemd. Door de toenemende epidemie van obesitas is er een sterke stijging te zien. Deze aandoening wordt gezien als veroorzaker van levercirrose zonder duidelijke oorzaak. Als de diagnose wordt gesteld, hetgeen vermoedelijk veel te weinig gebeurt, luidt het advies gezonder en minder te eten en meer te bewegen.
In de VS werd een klinisch onderzoek uitgevoerd onder 247 NASH patiënten die geen diabetes hadden. Zij werden in drie groepen verdeeld. Eén groep kreeg het medicijn tegen diabetes pioglitazon waarvan aanwijzingen bestonden dat het zou kunnen helpen, de tweede groep kreeg 800IE vitamine E per dag en de derde groep een placebo. Dit alles gedurende 96 weken. Na afloop bleek o.a. uit de leverbiopsie dat in de vitamine E groep de steatohepatitis veel vaker was verbeterd (43% vitamine E, 34% pioglitazon en 19% placebo). Ook de andere leverfuncties verbeterden het sterkst in de vitamine E groep. Bovendien had vitamine E geen gewichtstoename tot gevolg, in tegenstelling tot het diabetesmedicijn.
De bekende antioxidanten vitamine C, vitamine E, selenium en coënzyme Q10 zouden theoretisch het risico op cardiovasculaire aandoeningen moeten verkleinen. Deze voedingsstoffen hebben in korte termijn onderzoeken een gunstige invloed op de bloedvaten en op andere verstoorde lichaamsprocessen. Lange termijnstudies met één van deze stoffen – met name vitamine E – hebben de afgelopen jaren echter tegenvallende resultaten laten zien waardoor er twijfels bestaan over het gunstige effect van deze vitamines in hogere doseringen. Een mogelijke verklaring voor de tegenvallende resultaten van de studies waarbij slechts één van deze voedingsstoffen werden toegediend is dat dit de balans tussen de verschillende antioxidanten verstoort. Zo kunnen hoge doses vitamine E op termijn de gehaltes van andere antioxidanten, zoals coënzyme Q10, verlagen. Nu is een langere termijn onderzoek uitgevoerd waarbij alle vier deze voedingsstoffen werden gegeven en de resultaten zijn erg positief. Lees meer »
In zijn onlangs verschenen monumentale studie over vitamine D (The Vitamin D Solution- april 2010) benadrukt prof.dr. Michael Holick (hoogleraar fysiologie en biofysica aan de Universiteit van Boston- U.S.A.) nog eens de belangrijke rol die deze vitamine vervult bij het bestrijden van mentale problemen. Hoewel een groot aantal factoren verantwoordelijk kan zijn voor het ontstaan van depressiviteit, is uit onderzoek gebleken dat een vitamine D tekort hierbij een cruciale rol speelt. Dat heeft te maken met het feit dat geactiveerde vitamine D in de bijnieren verantwoordelijk is voor de regulering van het enzym tyrosine hydroxylase, noodzakelijk voor de productie van dopamine, epinefrine en norepinefrine. Deze hormonen vervullen een belangrijke rol bij het handhaven van mentale gezondheid. De bijnieren scheiden deze signaalstoffen af om het menselijk lichaam in staat te stellen om te gaan met de dagelijkse stress. Maar zonder voldoende vitamine D produceren de bijnieren in een constante stroom deze hormonen, met als gevolg dat de persoon geleidelijk uitgeput raakt. En wie chronisch vermoeid is, kan een makkelijke prooi van depressiviteit worden, zegt prof. Holick. Hij raadt daarom een dagelijkse dosis van 2000 i.e. vitamine D3 aan.
Op pagina 237 van zijn boek geeft hij aan Sint Janskruidgebruikers nog een belangrijk advies. Uit zijn onderzoek is namelijk ook gebleken dat het gebruik van dit populaire antidepressivum het lichaamsgehalte vitamine D3 DRASTISCH vermindert. Het gebruik van Sint Janskruid dient in zijn opinie dan ook ALTIJD gepaard te gaan met de inname van minimaal 2000 i.e. Voor verdere informatie verwijs ik naar het artikel op deze site over Sint Janskruid,Vitamine D, en mijn opstel getiteld Erythema Solare.
Onlangs zijn de veelbelovende resultaten bekend gemaakt van een fase 2 studie die de werking onderzocht van hoge doses groene thee extract bij chronische lymfatische leukemie (CLL).
Uit het eerdere fase 1 onderzoek was al gebleken dat hoge doses groene thee extract relatief veilig zijn. Men gebruikte daarom in dit tweede onderzoek een erg hoge dosering: twee maal daags 2000mg groene thee-extract (circa 60% epigallocatechine gallate).
Het onderzoek betrof 36 nieuwe CLL patiënten plus de zes patiënten uit het eerste onderzoek die toen ook de hoogste dosering gekregen hadden. Geen van de patiënten kreeg andere medicatie. Uit de resultaten van de 41 patiënten die het zes maanden durend onderzoek afrondden bleek dat bij 31% het aantal leukemiecellen blijvend was verlaagd met ten minste 20% en dat bij 69% van de patiënten met opgezette lymfklieren de omvang hiervan met tenminste 50% was afgenomen.
Onlangs zijn de resultaten bekend gemaakt van een deelanalyse van een grootschalig dubbelblind onderzoek. Tijdens dit 10 jaar durend onderzoek onder 40000 verpleegsters kregen de vrouwen 600mg vitamine E om de andere dag of een placebo (met of zonder 100mg aspirine). Gekeken werd wat de invloed hiervan was op het risico van COPD en astma. In de vitamine E groep kwam 10% minder COPD (longemfyseem en chronische bronchitis) voor dan in de placebogroep, ook na correctie voor bekende risicofactoren als roken. Dit percentage gold zowel voor rokers als niet-rokers. De grootte en de opzet van het onderzoek maken de gegevens zeer betrouwbaar. De onderzoekers vermoeden dat een gunstig effect van vitamine E afhankelijk is van hoge HDL-cholesterolgehaltes. Mensen met een laag gehalte van dit goede cholesterol zouden dan geen baat hebben bij vitamine E. Lage hdl-gehaltes komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Op astma had de vitamine E geen invloed.
Amerikaanse wetenschappers volgden 77719 mensen van tussen de 55 en 76 jaar gedurende gemiddeld drie jaar. Van 13 vitamines en mineralen en van een aantal andere voedingssupplementen (visolie, chondroïtine, glucosamine, ginkgo, knoflook, sabalpalm en vezelsupplementen) werd bijgehouden wat mensen hiervan op eigen gelegenheid dagelijks gebruikten. Na afloop werd gekeken wat de invloed van de afzonderlijke vitamines, mineralen en andere supplementen op de sterfte kon zijn geweest.
Het gebruik van bijna alle onderzochte stoffen was geassocieerd met een lagere sterfte, zij het dat dit in de meeste gevallen niet ‘statistisch significant’ was, d.w.z. de geringere sterfte kon ook aan toeval of andere factoren te danken zijn. Van de vitamines en mineralen (vitamines C, E en calcium waren niet onderzocht) scoorden magnesium, zink en – opvallend genoeg want deze stof heeft bij veel voedingswetenschappers een slechte naam -β-caroteen het beste met zo’n 8% lagere sterfte.
Grotere verschillen vond men bij de overige voedingssupplementen. Zoals in vele onderzoeken was de sterfte onder de gebruikers van visoliecapsules een stuk lager, in dit geval 17%. Knoflook noteerde een 11% lagere sterfte en ginkgo 4% in de hoog- en 16% in de laaggedoseerde groep. Het meest opmerkelijke van dit onderzoek was de 17% en statistisch significant lagere sterfte bij gebruik van glucosamine en van chondroïtine. Deze supplementen worden doorgaans geslikt tegen gewrichtsklachten.
In The Encyclopedia of Natural Medicine uit 1998 van Murray en Pizzorno, dat jarenlang als naslagwerk op mijn buro lag, staan een aantal alinea’s over glycosaminoglycans waartoe chondroïtine en glucosamine behoren en de meer dan 50 klinische studies die aantoonden dat deze glycosaminoglycans werkzaam zijn tegen aandoeningen van de bloedvaten1. De auteurs van dit onderzoek sluiten niet uit dat deze twee stoffen al het epitheelweefsel – bloedvaten, huid, darmen en longen – mogelijk kan beschermen tegen diverse aandoeningen.
1) Murray en Pizzorno geven zes referenties van studies. Vijf gebruikten mesoglycan en één chondroïtine.
Enkele reacties